Nassau-Nederlands.jouwweb.nl
Home » vwo » vwo 4 » Literatuur » Literaire termen

Literaire termen

LITERAIRE TERMEN

vwo

 

 

Klik op de titel van de gewenste paragraaf:

 

1

Leesverslag

1.0

Hoofdgenres

1.1

Compositie of tijdverloop

1.2

Inhoud

1.3

Vertelwijze

2

Stilistiek

2.1

Soorten gedichten

2.2

Rijm

2.3

Metrum

2.4

Stijlfiguren

2.5

Beeldspraak

 

Versie 3-3-2012


 

1 Leesverslag

 

1.0 Hoofdgenres

 

epiek

literatuur waarin het verhaal centraal staat. Tot de bekendste epische genres behoren de roman, de novelle en het epos (=heldendicht)

lyriek

literatuur waarbij gevoelens centraal staan. De meeste poëzie behoort uiteraard tot de lyriek, al heb je ook poëzie die tot de epiek behoort (bijv. Homerus' Ilias). Wat langere gedichten kunnen soms om het verhaalelement erin episch worden genoemd en om de gevoelens die centraal staan lyrisch, bijv. Martinus Nijhoffs gedichten Het uur U en Awater.

dramatiek

literatuur voor toneel geschreven.

 

1.1 Compositie of tijdverloop

 

ab ovo

Wanneer een verhalende tekst begint met een inleiding, een voorgeschiedenis, waarna de eigenlijke handeling op gang  komt, spreekt men van een compositie ab ovo.

 

chronologisch, niet-chronologisch

In een chronologisch verteld verhaal worden de gebeurtenissen verteld in de volgorde waarin ze plaatsvinden. Als de volgorde daarvan afwijkt, spreekt men van een niet-chronologisch verteld verhaal.

 

medias in res

Een compositie medias in res wil zeggen dat  het verhaal / de roman midden in de handeling begint. Er is dus niet  zoals bij een verhaal dat ab ovo begint eerst een soort inleiding waarin de personages worden voorgesteld. De tekst begint meteen met een of andere scène, terwijl de lezer nog niet weet 'waar het over gaat'. De 'voorgeschiedenis' wordt in de loop van de handeling duidelijk.

 

continue vertelwijze

Als een verhaal verteld wordt zonder grote sprongen in de tijd (van heden naar verleden of omgekeerd) en er ook geen sprake is van opvallende perspectiefwisseling is er sprake van continu vertellen.Zijn er wel opvallende sprongen in de tijd en/of opvallende perspectiefwisselingen, dan is er sprake van discontinue vertelwijze.

 

flashback

Terugblik of retroversie.

 

epiloog

Nawoord,uitleiding; zowel een roman als een toneelstuk kan na afloop van de eigenlijke handeling een nawoord hebben; vgl. het slot van de abele spelen, het slot van De familie Kegge en het einde van de roman Het bittere kruid.

 

proloog

Voorwoord, inleiding; zowel een roman als een toneelstuk kan worden voorafgegaan door een proloog waarin bijv.de personages worden voorgesteld en/of wordt aangekondigd waarover het zal gaan. Zie bijvoorbeeld De aanslag van Harry Mulisch.


1.2 Inhoud

 

fabel

De korte inhoud van een drama of roman. Zie echter ook fabel bij soorten gedichten.

 

motto

Een citaat dat voorafgaat aan het eigenlijke verhaal, vaak afkomstig uit een ander boek, een songtekst, soms uit een stripverhaal of film. Met dit citaat geeft de auteur een aanwijzing over de bedoeling van het verhaal.

 

thema

Dat waar het literaire werk wezenlijk over gaat; het thema moet in één zinsdeel, bestaande uit een kernwoord en bepalingen kunnen worden weergegeven.

Een voorbeeld: Een leeg huis van Marga Minco gaat over een jonge joodse vrouw die na de bevrijding wordt geconfronteerd met de leegte van het bestaan, daar zij van haar familie de enige overlevende is. Zij en een lotgenote van haar staan voor het probleem verder te moeten leven in een wereld die voor hen voorgoed veranderd is. Haar vriendin blijkt uiteindelijk t.o. de problemen niet opgewassen en pleegt zelfmoord. Dat is in het kort de inhoud.

Je zou het thema aldus kunnen omschrijven: de problematiek van joden die de oorlog hebben overleefd. (Maar natuurlijk valt de thematiek ook enigszins anders te omschrijven; uiteindelijk bepaalt elke lezer zelf wat hij de essentie van een literair werk vindt.)

 

motieven

Een motief is een gegeven dat herhaaldelijk terugkeert in het verhaal; het staat op enigerlei wijze in verband met de bedoeling of het thema van dat  verhaal. Motieven zijn als het ware de bouwstenen van het thema.

Veel motieven hebben met gebeurtenissen te maken. In een verhaal kan bijvoorbeeld geweld een motief zijn, of verliefdheid, angst, kindertijd, etc.

Andere motieven kunnen afgeleid worden uit ideeën / onderwerpen / gewaarwordingen die telkens terugkeren, zoals wetenschap in “De passievrucht” van Karel Glastra van Loon.

Een ander voorbeeld is het gevoel van opgeslotenheid (claustrofobie) in “Het Gouden Ei van Tim Krabbé, dat voortkomt uit een droom maar ook met de gebeurtenissen te maken heeft.

 

1.3  Vertelwijze

 

vertelsituatie of vertelwijze

Bij een verhaal kun je de vraag stellen: wie vertelt de gebeurtenissen aan de lezer? Het antwoord op deze vraag is de vertelwijze. Globaal gezien zijn er drie mogelijkheden:

 

1. auctoriale vertelwijze (alwetende verteller)

Het verhaal of de roman wordt verteld vanuit een alwetende verteller die de een keer als 'ik' in het verhaal een klein rolletje speelt, de andere keer als onzichtbare  'regisseur' de touwtjes in handen heeft.

Voornaamste kenmerken van de auctoriale vertelwijze:

  1.  

De (afwezige) verteller staat als een soort schepper (“auctor”) boven de handeling en de optredende personages;

  1.  

Hij kan vooruitlopen op gebeurtenissen;

  1.  

Hij kan commentaar geven op de handelingen en de karakters van de verhaalpersonages; ook kan hij de lezer toespreken (“de lezer zal zijn hart vasthouden bij het lezen van het nu volgende hoofd­stuk”).

  1.  

Vaak is er een wisselend perspectief

 

2. ik-vertelwijze (ik-verhaal)

Het verhaal of de roman wordt verteld door een ik-verteller die meestal tevens de hoofdpersoon van het verhaal is. In sommige verhalen is de ik-verteller niet de hoofdpersoon maar een personage dat van dichtbij de lotgevallen van de hoofdpersoon meemaakt.

De ik-vertelwijze verschilt duidelijk van de auctoriale vertelwijze: bij de auctoriale vertelwijze komt soms ook een 'ik' voor, maar deze is slechts de verteller van het verhaal waar hij a.h.w. 'boven'  of 'buiten' staat; de 'ik' bij de ik-vertelsituatie staat midden in het verhaal, is meestal zelfs de hoofdpersoon. Deze 'ik' heeft niet als de auctoriale 'ik' overzicht en inzicht in de handeling en de personages. Het perspectief ligt altijd bij de ik-verteller.

 

3. personale vertelwijze (de hij/zij-vertelwijze)

Het verhaal wordt verteld zonder dat er iets van de verteller zelf is te merken. De gebeurtenissen worden als het ware door een neutrale stem meegedeeld, waardoor de lezer heel direct bij het verhaal wordt betrokken. De personages komen voor in de hij-/zij-vorm, in tegenstelling tot bij het ik-verhaal.

Vaak worden de gebeurtenissen gezien vanuit het perspectief van de hoofdpersoon, een hij (zij)-personage. De gehele handeling en alle overige personages worden gezien vanuit het standpunt van dat personage. Terwijl bij het auctoriaal perspectief alles wordt  gezien vanuit de alwetende verteller, blijft het perspectief nu beperkt. De lezer krijgt over de handeling en de personages niet meer te weten dan de hoofdpersoon weet, denkt,voelt. Alles wordt de lezer gepresenteerd via de hoofdpersoon. Een zuiver personale roman vertoont overeenkomst met de ik-roman. Ook bij het ik-perspectief is het zicht op de handeling beperkt tot dat van de hoofdpersoon. Het personale personage wordt ook wel de verhulde ik genoemd.

Maar in personale romans is ook meervoudig perspectief mogelijk. Dan bekijk je de gebeurtenissen in de ene scène vanuit het ene personage, in de andere scène vanuit een ander personage. In niet-literaire romans wordt dit vaak toegepast, bijv. in thrillers, maar ook in literaire romans kan meervoudig perspectief voorkomen.


2 Stilistiek 

2.1 Soorten gedichten

 

ballade
1. Gedicht bestaande uit 3 strofen van meestal 8 regels en een 4e strofe bestaande uit 4 regels die wat de eerste woorden betreft de herinnering bewaart aan de oude rederijkersballade,waarvan de laatste strofe altijd begint met 'Prince' (de prins was de titel van de beschermheer van een rederijkerskamer. Een ander kenmerk van de (rederijkers)ballade is dat elke strofe eindigt op een (nagenoeg) gelijke regel. (zie hieronder ‘Het stenen kindje’)

2. Een lang strofisch gedicht waarin op eenvoudige wijze een romantisch verhaal wordt verteld. Ze worden ook wel volksballade genoemd.  Een bekend voorbeeld is ‘Het lied van heer Halewijn’. Zie bespreking ervan bij volksballade.

 

distichon

Een strofe van twee regels; een gedicht kan uit uitsluitend distichons bestaan.

Een voorbeeld van een gedicht met disticha:

 

TWEE VRIENDEN

 

 

De maan maakt den nacht tot een sneeuwwit veld.

Een man heeft zijn vriend van zijn leven verteld.

 

 

er is door dit spreken een wonder gebeurd:

hun harten zijn zoozeer eender gekleurd

 

 

dat de een als hij soms naar den ander ziet

bij zichzelven zegt: ben ìk dat niet?

(H.Marsman)

 

elegie

Klaaglied; het hoofdmotief van de meeste klaagliederen is de dood of het einde van de vreugde der liefde.

 

epigram

Puntdicht; een kort,puntig,kernachtig gedichtje. Het genre werd tijdens de Renaissance veel beoefend (Hooft, Huygens); later o.a. door de 19e-eeuwer Staring. Ook in de moderne poëzie kan men het aantreffen.

Wip

Dirk was ter wip verwezen

en liet niet enen traan;

hij zei: 'Wat zoud' ik vrezen?

't Is met een wip gedaan

(ter wip verwezen = tot de galg veroordeeld)

 

 

(Constantijn Huygens)

 

fabel

Een kort gedicht waarin dieren als denkende wezens worden voorgesteld en  waarin aan het slot een moraal zit. Bekend is de middelnederlandse fabelbundel Esopet,een vertaling van de verzameling Latijnse fabels van Aesopus.

 

limerick

Een vijfregelig gedichtje met het rijmschema a a b b a ; de regels 1,2 en 5  zijn langer dan de regels 3 en 4; de inhoud is meestal kolderiek.

Meestal eindigt de eerste regel op een plaatsnaam.

Er was eens een dichter in Naarden

Die trouw al zijn peukjes bewaarde,

Daar draaide hij dan

Nieuwe rokertjes van

Waarvan hij de peukjes weer spaarde

(Alex van der Heiden)

 

satire

Een hekeldicht; een prozatekst of gedicht met sarcasme geschreven.

Bekende satires zijn: Van den Vos Reinaerde en de gedichtenbundel Grassprietjes van Cornelis Paradijs (=Frederik van Eeden),die als jonge schrijver zijn veel oudere en beroemde -maar overschatte!-collega's op de korrel nam.

Een satire kan tevens een (grimmige) parodie zijn.

 

sonnet

Een gedicht bestaande uit twee kwatrijnen (samen het octaaf vormend) en twee

terzinen (samen het sextet vormend); meestal is er na de achtste regel een wending (volta of chute): het gedicht neemt daar een 'draai'. De relatie tussen octaaf en sextet kan zijn die van tegenstelling, beeld-object (of object-beeld), heden-verledenenz. Een dergelijk sonnet heet ook wel een Italiaans sonnet. Daarnaast bestaat het Shakespeare-sonnet, dat bestaat uit drie kwatrijnen en een distichon. De wending komt hier na de 12e regel. Meestal zijn er geen witregels tussen de strofen. Het rijmschema van een Italiaans sonnet is meestal abab /abab /cdc /dcd; dat van een Shakespeare-sonnet abab/cdcd/efef/gg. In plaats van gekruist rijm in de kwatrijnen komt ook wel omarmend rijm voor.

 

POGROM

(Ed. Hoornik)

 

Is dit de maan, die naar het laatst kwartier gaat,

of een gelaat, omgord door walm en vlam?

Waar is Berlijn, en waar de Grenadierstraat?

-Vluchtte de jongen, toen de bende kwam?

Op 't Rembrandtsplein gaan de lantarens branden,

over de daken sproeit een lichtfontein.

-Ik druk mijn nagels dieper in mijn handen

 

Is dat zijn schim, die daar voor de rivier staat,

is dit het water, dat hem langzaam nam,

is dit de spree, en dat de Grenadierstraat?

-Het is de Amstelstroom, 't is Amsterdam.

 

De Jodenbreestraat is een diep ravijn;                  

ik zie mijn schaduw dansen op de wanden.

-Het is maar tien uur sporen naar Berlijn.

 

 

kwatrijn

Strofe van vier regels

octaaf

De beide kwatrijnen van een sonnet

 

terzine

Strofe van drie regels in een Italiaans sonnet.

 

sextet

De beide terzinen van een sonnet


2.2 Rijm

 

Rijm is overeenkomst in klank in beklemtoonde lettergrepen bij niet te ver uiteen staande woorden.

We onderscheiden verschillende soorten rijm:

 

alliteratie 

Beginrijm: de eerste klank(en) van beklemtoonde lettergrepen van woorden  die bij elkaar staan rijmen op elkaar.

 

't Was bladstil, en een lauwe loomheid lag

En woog op beemd en dorre wei, die dorstten;

Zwaar zeeg en zonder licht een vale dag

Uit wolken, die gezwollen onweer torsten.

De koelies kermen op de zwarte kaden

Onder de Zuidchinese zomerzon,

Met plompe zak of zware ton beladen

Eenzelfde zang van Sjanghai tot Kanton.

(Jacques Perk)

(J.J. Slauerhoff)

 

assonantie / klinkerrijm

Alleen de klinkers van de beklemtoonde lettergrepen rijmen op elkaar, niet de daaropvolgende

 

volrijm

De beklemtoonde klinkers plus de daarop volgende medeklinkers rijmen op elkaar: deur/geur; komen/dromen.

 

rijk rijm

Rijmvorm waarbij het rijmwoord in zijn geheel herhaald wordt. Vaak heeft rijk rijm iets (bedoeld) onbeholpens / knulligs. Het is een rijmsoort die misschien beter arm rijm genoemd zou kunnen worden, daar het eindrijm betreft, bestaande uit dezelfde rijmwoorden.

 

Toen die ziek was van het zwelgen

Toen die dol van vrijheid was,

Brulde ie een lijzig liedje,

Dat al uit de mode was.

binnenrijm

Rijm binnen de versregel; zowel volrijm als (mede)klinkerrijm kunnen als binnenrijm optreden.

 

Lang rolt, een bol van klank, de knal van 't schot

Bonzend van wand tot wand, 't gebergte rond:

Het dier, door 't vals onzichtbare gewond,

Kruipt, om de rand, in scheef verlichte grot;

(J.A. dèr Mouw)

 

middenrijm

In het midden van twee opeenvolgende versregels rijmen de woorden op elkaar.

 

Ten syn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,

Noch die verradelyck u togen voort gericht,

Noch die versmadelyck u spogen int gesicht,

Noch die u knevelden en stieten u vol puysten.  

(Jacob Revius)

 

eindrijm

Rijm aan het eind van de versregels.

 

Als de woorden die aan het eind van de versregel staan op elkaar rijmen, spreken we van eindrijm. innen eindrijm onderscheiden we een aantal rijmschema’s. Iedere rijmklank wordt weergegeven door een hoofdletter. Een nieuwe rijmklank krijgt een volgende letter.

 

Gepaard rijm:

AABB CCDD

Gekruist rijm :

ABAB CDCD

Omarmend rijm:

ABBA CDDC

Slagrijm:

AAAAAA

 

Gepaard rijm

Rijmschema aabb

 

Waarde vriend het is hier prachtig

de koeien zijn ontroerend drachtig

de spoorlijn loopt dwars door het dal

een vrouw beheert de waterval

(Bergman)

 

gekruist rijm

Rijmschema a b a b

 

't Was bladstil, en een lauwe loomheid lag

En woog op beemd en dorre wei, die dorstten;

Zwaar zeeg en zonder licht een vale dag

Uit wolken, die gezwollen onweer torsten

 

(Jacques Perk)

De koelies kermen op de zwarte kaden

Onder de Zuidchinese zomerzon

Met plompe zak of zware ton beladen,

Eenzelfde zang van Sjanghai tot Kanton.

(J.J. Slauerhoff)

 

omarmend rijm

Rijmschema a b b a

 

Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag

Languit met moeder in de warme hei,

De wolken schoven boven ons voorbij

en moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.

(Martinus Nijhoff)

 

gebroken rijm

Rijmschema a b c b  of  a b a c

 

Zo'n jongen nou als Piet,

een intellectueel,

hij had niet zoveel eisen,

hij wou niet eens zoveel,

gewoon een beetje trekken,

de Balkan door of zo,

 

of een keer met een vrachtschip

naar de Golf van Mexico.

Maar Ansje z'n verloofde,

die zei: Da's niks gedaan.

Je moet solliciteren.

Hier staat een goeie baan

 

 

Annie M.G. Schmidt)

 

slagrijm

Rijmschema a a a a etc.

 

Een zekere Achmat

Een zekere Achmat in Bagdad

Lag plat met z'n gat op z'n badmat.

Zo las hij z'n dagblad

En iedereen zag dat,

't Is raar, maar in Bagdad daar mag dat!

 

 

 

 

(Alex van der Heide)

 

enjambement

De ene versregel loopt zonder pauze in de volgende over. Enjambementen zijn het meest opvallend als de spanning tussen versregel en zinsbouw het grootst is; dat is het geval wanneer het laatste woord (of zinsdeel) van de ene regel grammaticaal nauw aansluit bij het eerste woord (of zinsdeel) van de volgende regel.

 

De dwangarbeiders

 

(J.J. Slauerhoff)

 

De koelies kermen op de zwarte kaden

Onder de Zuidchinese zomerzon,

Met plompe zak of zware ton beladen

Eenzelfde zang van Sjanghai tot Kanton.

Zij zijn maatvast en doen de laadstok deinen,

Het ritme van hun draftred doet 't gewicht

Half zweven door de lucht, de schouderpijnen

Zijn minder onverdraaglijk,bijna licht

 


2.3 Metrum

 

metrum

Regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen. Zie jambe en trochee, (De metra anapest, dactylus en amfibrachys worden hier niet behandeld.)

 

versvoet

Metrische eenheid, bestaande uit 2 lettergrepen (jambe of trochee) of uit drie lettergrepen (wordt hier niet verder behandeld).

Een metrische versregel die uit tien lettergrepen bestaat, heeft dus 5 versvoeten: 5 jamben of 5 trocheeën.

Een versregel bestaande uit 6 jamben (dus 6 jambische versvoeten) heet een alexandrijn.

 

antimetrie 

Een afwijking van het metrum, meestal van het jam­bisch me­trum. Antimetrie komt het meeste voor (en is het opvallendst) aan het begin van een versregel, wanneer een jambe plaats maakt voor een trochee.

 

Vroeger toen 'k woonde diep in 't land

Vrat mij onstilbaar wee

Zoals een gier de lever,want

Ik wist : geen streek  geeft mij bestand,

En 'k zocht het ver op zee.

(J.J. Slauerhoff)

 

(In de eerste twee versregels is de eerste versvoet een trochee,verder zijn alle versvoeten jamben.N.B. Er komt elisie voor in de tweede versvoet en de vierde versvoet van de eerste versregel, net als in de eerste versvoet van de vijfde versregel.)

 

elisie

Uitstoting van een onbeklemtoonde lettergreep ter wille van het metrum.

 

Vroeger toen 'k woonde diep in 't land

Vrat mij onstilbaar wee

Zoals een gier de lever, want

Ik wist: geen streek geeft mij bestand,

En 'k zocht het ver op zee

(J.J. Slauerhoff)

 

[kwoonde] i.p.v. ik woonde] en [ksocht] i.p.v. ik zocht

 

Jambe

Een versvoet bestaande uit één onbeklemtoonde en één beklemtoonde lettergreep

 

˘   __      ˘   __      ˘     __      ˘      __         ˘  __                

 

Ik ben in eenzaamheid niet meer alleen,

 

   ˘      __          ˘       __   ˘   __        ˘    __     ˘     __     ˘

 

Want waar mijn ogen langs de wanden dwalen

 

    __       ˘     ˘    __       ˘     __         ˘  __    ˘   __     ˘    

 

Schemert uw lach daarheen. Ontelbre malen

 

   __      ˘   ˘    __       ˘  __      ˘   __     ˘     __             

 

Hoor ik in 't klokgetik uw voeten treęn.

(Lodewijk van Deyssel)

 

N.B. In dit gedicht is in de 3e en 4e regel de eerste versvoet een trochee; er is daar dus sprake van antimetrie.

 

scanderen

Door middel van boogjes (aan de bovenkant open / een soort brede u) (onbeklemtoonde lettergrepen) en streepjes (beklemtoonde lettergrepen) aangeven waar de accenten in een gedicht liggen (om te ontdekken of het gedicht een metrum heeft)

 

trochee (trocheus)

Bepaalde versvoet, bestaande uit resp. een beklemtoonde en een onbeklemtoonde lettergreep

 

__    ˘    __    ˘    __    ˘  __                                        

Altijd is Kortjakje ziek,

  __      ˘   __   ˘     __          ˘       __      ˘     __      

Midden in de week maar zondags niet

 


2.4 Stijlfiguren

 

anticlimax

Een opsomming waarbij de delen in kracht afnemen, of die aan het eind niet het verwachte hoogtepunt brengt. 

 

Je raadt nooit wat ik gekocht heb: geen iPod, geen cd-speler, geen walkman maar een doodgewoon radiootje.  

 

antithese

Naast elkaar plaatsing van tegenstellingen.

 

Op school stonden ze op het bord geschreven,

Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;

hiermee was tijd,was eeuwigheid gegeven,

de ene werklijkheid,de ander schijn.

(Ed Hoornik)

 

                                        

                                              

 

climax

Een opsomming waarvan de delen in kracht toenemen.

Climax is dus stijging naar het hoogtepunt; na het hoogtepunt kan een anticlimax volgen, zoals in het onderstaande gedicht van Willem Wilmink.

 

De heilige Johan

 

eens toen ik in floodlight

voetballers een doelpunt

zag spinnen zich bewegend

als elven over het gras,

wist ik dat uit deze hoek

de verlosser op handen was

en zie:Johan Cruijff de danser

de faun de adelaar

der dalen

 

maar toen we zijn bergrede kwamen halen

had hij het over belasting betalen

 

 

(Willem Wilmink)

 

enumeratie (ook: opsomming

Een opsomming van een aantal inhoudelijk bij elkaar horende elementen. Deze opsomming kan al of niet met het voegwoord 'en' gepaard gaan. Een opsomming met 'en' noemen we polysyndeton, een opsomming zonder 'en' noemen we asyndeton.

 

Bloemengeuren

 

 

Elke bloem heeft een speciale

geur. De roos,tulp,margriet,

narcis,leeuwebekje,heide,

lelietje van dalen,klaproos,

anjer,madeliefjes,krokussen,

de korenbloem. Niet allemaal

ruiken ze lekker. Bij voorbeeld

 

de anjer,die ruikt niet zo

lekker als de roos. De lelie

van dalen ruikt erg lekker.

Veel en veel lekkerder dan de

anjer. Dus ruik vooral niet

aan de anjer. Dit weten we

dan ook weer. Dag allemaal!

 

 

K. Schippers)

 

 

Ik zocht in zeeën,bossen,bergen,dromen,

Nimmermeer rustig tot de plek gekomen,

Waar zij verborgen als een bloesem was

Onder 't in lange herfst gewoekerd gras.

(J.J. Slauerhoff)

 

 

eufemisme

Een term of uitdrukking die in een bepaalde situatie kwetsend kan zijn of minder aangenaam om te horen, wordt vervangen door een term of uitdrukking die minder hard aankomt doordat hij vager is.

Het ligt voor de hand dat er veel eufemismen zijn voor dood en ziekten en voor allerlei zaken die (nog) in de taboesfeer liggen.

Voor ‘sterven’ worden vaak de eufemismen ‘heengaan’ en ‘zijn laatste reis aanvaarden’ gekozen.

Onaangename maatregelen van de regering worden vaak in verhullende taal verpakt: men spreekt liever van  'krapte op de arbeidsmarkt dan van ‘werkeloosheid'  en bezuinigingen van de overheid  worden 'beleidsombuigingen' genoemd.

Een eufemisme lijkt op een understatement; het verschil is dat een understatement niet wordt gekozen om iets onaangenaams te verhullen; een understatement is een originele en vaak grappige 'onderdrijving'. Het is juist niet de bedoeling de onaangename werkelijkheid te maskeren; die werkelijkheid komt juist door het understatement scherp 'in beeld'. Zie onder.

 

hyperbool

Een opzettelijke overdrijving. Vaak staat de hyperbool in dienst van de ironie.

 

Slecht? Wat heet slecht? Laat mij je nou vertellen dat hij als acteur zo slecht is dat hij geeneens een slechte acteur kan spelen.

 

(Van Kooten en De Bie)

ironie

Stijlfiguur met de bedoeling op milde wijze te spotten. Vaak bedoelt de spreker of schrijver het tegenovergestelde van wat hij zegt of schrijft.

 

'Fijn dat ik u weer eens zie’, sprak de man tot de deurwaarder die bij hem beslag kwam leggen.

 

litotes

Stijlfiguur waarbij men een bepaald begrip uitdrukt door het tegenovergestelde begrip te ontkennen, bijv. dat lijkt me geen verstandig plan (een slecht plan).

 

paradox

Een schijnbare tegenstrijdigheid.

De formulering lijkt niet ‘logisch’ te zijn, maar is toch ‘waar’ als je de mededeling nog eens goed leest.

Pas in de volte van de grote stad voel je de leegheid.

 

ogen luistert, spraken de oren,

wij hebben nog nimmer zo’n stilte gehoord

(Karel Jonckheere)

           

parallellisme

Een aantal zinnen begint met hetzelfde woord of dezelfde woorden en verlopen ook verder op identieke wijze.

 

ik heb in het gras mijn wapens gelegd 

Rusten in 't leven kan ik niet.

en mijn wapens gaan geuren als gras

Rusten in de dood wil ik niet.

ik heb in het gras mijn lichaam gelegd

Mijn angst en wroeging ban ik niet.

mijn lichaam is geurig als hout bitter en zoet

Mijn doffe klagen stil ik niet.

(Lucebert)

(J.I. de Haan)

 

 

pleonasme

Een logisch gezien overbodig woord, omdat het begrip dat door dat woord wordt uitgedrukt al in een ander woord ligt opgesloten.

Een pleonasme is een overbodige bepaling, terwijl een tautologie een overbodig synoniem is. Een pleonasme: passerende voorbijgangers; een tautologie: hollen en draven.

Dit zijn geen voorbeelden van stijlfiguren, maar van stijlfouten, omdat ze geen functie hebben, voortvloeien uit slordig of ondoordacht taalgebruik. Pleonasme en tautologie zijn stijlfiguren als ze bijdragen aan de expressie van een gedachte of gevoel.

 

Repetitio (ook: herhaling)

Een woord of zinswending wordt ongewijzigd herhaald.

 

O, als ik dood zal,dood zal zijn

kom dan en fluister, fluister iets liefs,

mijn bleke ogen zal ik opslaan

en ik zal niet verwonderd zijn.

 

En ik zal niet verwonderd zijn;

in deze liefde zal de dood

alleen een slapen, slapen gerust

een wachten op u, een wachten zijn.

 

 

(J.H.Leopold)

 

tautologie

Een logisch gezien overbodig woord,omdat dat woord (ongeveer) hetzelfde betekent als het woord waarmee het in verbinding staat. Als een tautologie voortvloeit uit slordigheid of taalkundig   onvermogen dan heeft die geen functie en is dus fout, een stijlfout. Veel staande uitdrukkingen zijn tautologisch, bijv. wikken en wegen, heg noch steg, bepakt en bezakt etc. Zie ook onder pleonasme.

 

Hij sprak en zeide

In 't zaal zich wendend:

Voorwel, o moeder

Nooit keer ik weęr

(Geerten Gossaert)

 

retorische vraag

Een nadrukkelijke mededeling in de vorm van een vraag.

 

Hoofden van Lebak, er is veel te arbeiden in uwe landstreek. Zegt mij,is niet de landman arm? Rijpt niet uw padie dikwerf ter voeding van wie niet geplant hebben? Zijn er niet vele verkeerdheden in uw land? Is niet het aantal uwer kinderen gering?

(Multatuli)

 

understatement

Een opzettelijke afzwakking , dus net als een eufemisme een verzachtend woord of een verzachtende uitdrukking.

Een eufemisme is ‘serieus’ en wordt gebruikt om tactische redenen of ter wille van het ‘fatsoen’. Een understatement is minder serieus, is te beschouwen als een grappig eufemisme. Het doel van het understatement is door een originele formulering te verbazen en/of te vermaken. Vandaar dat humoristen veel gebruik maken van het understatement.

 

- Ik sta als supporter van Ajax niet te juichen als ik zie hoe mijn club door Philips in de pan wordt gehakt.

- De periode waarin hem alles mislukte, hij ongelukkig verliefd was, tot zijn nek in de schulden stak en werkeloos was, was er niet een van optimaal levensgeluk.

- Wij schreven 1942. Nederland was door de Duitsers bezet. (Voor mijn eventuele jonge lezers: de Duitsers waren vijf jaar hier zonder dat we ze echt hadden geïnviteerd.  (Simon Carmiggelt)

 

woordspeling

Een woord of een uitdrukking wordt opzettelijk zo gebruikt dat er sprake is van dubbelzinnigheid. Vaak berust de woordspeling op de mogelijkheid het woord of de uitdrukking zowel letterlijk als figuurlijk op te vatten.

 

De taal der vogels is vol gevleugelde woorden.

Weinigen kunnen hun kraaienpoten lezen.

(Bert Voeten)

 

Ofschoon je een speelzaal bezoekt om je daar te laten uitschudden, kom je er niet zo maar binnen. Sportieve kleding is verboden. De das die ze je om willen doen, moet je in de hal al dragen'

(Simon Carmiggelt)

 

Daar wil ik mee zeggen,vrienden,dat ik mij min of meer schuldig maak aan een vrij veel voorkomend menselijk euvel,namelijk de tweeslachtigheid. Is de tweeslachtigheid een onoverkomelijk euvel? Welnee! Wij mogen dit euvel zien als een vluchteuvel.

(Toon Hermans)

 

zelfcorrectie

Een opzettelijk verkeerd gebruikt woord of een opzettelijk verkeerd geformuleerde gedachte wordt daarna onmiddellijk verbeterd.

 

Wil Stern gouverneur-generaal worden? Hij is er verwaand genoeg toe... om het te willen,meen ik.  

(Multatuli)

 

Hij aarzelt, -neen,hij aarzelt niet,-

tenminste niet heel lang: -

't Verloorne zoeken dat 's geen werk

Voor zonen van den zang!

(Piet Paaltjens)

 


 

2.5 Beeldspraak

 

Het gekozen woord of de uitdruk­king  moet niet letterlijk genomen geworden, maar is gekozen op grond van een  overeenkomst of een andere relatie met wat er 'eigenlijk' bedoeld wordt. Bij beeldspraak is er dus altijd sprake van beeld en bedoelde.

De soorten beeldspraak die berusten op overeenkomst: vergelijking met als, vergelijking zonder als, metafoor, personificatie, synesthesie, retoriek.

De beeldspraak die berust op een andere relatie dan die van overeenkomst heet metonymia. Binnen de metonymia onderscheiden we nog pars pro toto en totum pro parte.

 

vergelijking met als

Vorm van beeldspraak die berust op overeenkomst tussen beeld en dat wat met dat beeld bedoeld wordt. Bij een metafoor staat het bedoelde (het object) er niet bij, bij een vergelijking met als wel: beeld en object worden met elkaar verbonden door (zo)als.  Ook kan een ander verbindingswoord voorkomen, bijv. in: een boom van een vent of een schat van een kind.                      

 

De bus rijdt als een kamer door de nacht  

(M.Vasalis)

 

Vaak zijn als-vergelijkingen clichés, vaste uitdrukkingen, zoals : zo zacht als boter, eerlijk als goud, etc.

 

vergelijking zonder als

Beeldspraak die berust op overeenkomst; net als bij de als-vergelijking wordt niet alleen het beeld genoemd, maar ook het bedoelde,het object. Alleen worden beeld en object niet verbonden door (zo)als of een werkwoord als schijnen of lijken.

 

Kom, leg uw hand op dit papier, mijn huid

(Leo Vroman)

 

metafoor

Beeldspraak die berust op overeenkomst tussen het beeld en dat wat ermee wordt 'bedoeld', het object. Bij een metafoor wordt alleen het beeld genoemd.

(De onderstreepte woorden in de fragmenten hieronder zijn voorbeelden van metaforen)

 

De lage zonne blonk als koper

De zomer en de late rozen

De lucht vlamde in het rond,

zijn zacht  ontbladerend  uitgebloeid; 

Van zon tot kust bevloerde een loper

het bloedend vuur,het hete blozen

Van licht de golvengrond

tot oud oktobergoud vergloeit

J.C.Bloem) 

(H.Marsman)

 

 

Metaforen komen niet alleen in de literatuur voor: veel uitdrukkingen zijn metaforen (de eerste viool spelen,over het paard getild zijn, de draak met iets steken, iemand bij de neus nemen, door het oog van de naald kruipen etc.). Deze metaforen zijn clichés.

 


personificatie

Beeldspraak die berust op het als mens voorstel­len van abstracties of voorwerpen. Iets wat levenloos is krijgt dus menselijke eigenschappen.

 

De nacht vluchtte in het woud.  De zomernanacht groeit de morgen tegen.

 

synesthesie

Bij synesthesie worden indrukken van zintuigen die logisch gezien niet bij elkaar horen, toch met elkaar in verband gebracht om een bepaald effect te bereiken.

 

Het klinkt zo groen in de lentestruiken

(Pierre Kemp)

 

retoriek

Onoorspronkelijke, versleten beeldspraak, vaak voorkomend in combinatie met bombast

(= overdreven, niet passend taalgebruik: holle frasen).

Retoriek komt vaak voor in toespraken, lofredes etc. De politiek is er ook niet vies van.

Voormalig premier Lubbers omschreef de leden van zijn kabinet als:

 

Spuitgasten die het Nederlandse volk met gevaar voor eigen leven uit de brandende ruïnes redden, die vorige kabinetten hebben achtergelaten, zonder vrees daarbij zelf een schrammetje op te lopen.

 

metonymia

Beeldpraak die niet berust op overeenkomst tussen beeld en dat wat ermee wordt 'bedoeld' (het object), maar op een andere relatie, bijv. materiaal- voorwerp (de ijzers voor de schaatsen, het leder voor de bal) of voorwerp voor de inhoud (een glas voor bijv. wijn), of deel voor geheel.

 

Bijv.:

Het was jaren geleden dat zij de ijzers onderbonden voor een lange schaatstocht.

Geef mij nog maar een glaasje!

De Heilige Stoel is tegen abortus.

Deze wielrenner heeft driemaal goud gewonnen.

Hebben zij een Van Gogh aan de muur hangen?

De Bilt voorspelt slecht weer.

Wil je nog een glas bordeaux?

 

pars pro toto

Zie ook onder metonymia. De relatie tussen beeld en object is die van deel-geheel. Voorbeelden:

 

Even de neuzen tellen.

(= aanwezigen)

De vloot bestond uit 14 zeilen.

(= zeilschepen)

In de ziekenzorg wil men meer handen aan het bed.

(= verplegers)

 

totum pro parte

Zie ook onder metonymia. De relatie tussen beeld en object is die van geheel-deel. Voorbeelden:

 

Nederland won de wedstrijd met 4-0

De stad liep uit na deze prachtige overwinning