Nassau-Nederlands.jouwweb.nl
Home » havo » havo 4 » Literatuur » Literaire termen havo

Literaire termen havo

LITERAIRE TERMEN havo

 

1 Leesverslag. 2

1.0 Hoofdgenres 2

1.1 Compositie of tijdverloop. 2

1.2 Inhoud. 3

1.3 Vertelwijze. 3

2 Stilistiek. 5

2.1 Soorten gedichten. 5

2.2 Rijm.. 6

2.3 Metrum.. 8

2.4 Stijlfiguren. 10

2.5 Beeldspraak. 13

 

Versie 29-6-2009

Hoofdgenres 

 

1 Leesverslag

 

1.0 Hoofdgenres

 

epiek

Literatuur waarin het verhaal centraal staat. Tot de bekendste epische genres behoren de roman, de novelle en het epos (=heldendicht)

lyriek

Literatuur waarbij gevoelens centraal staan. De meeste poëzie behoort uiteraard tot de lyriek, al heb je ook poëzie die tot de epiek behoort (bijv. Homerus' Ilias). Wat langere gedichten kunnen soms om het verhaalelement erin episch worden genoemd en om de gevoelens die centraal staan lyrisch, bijv. Martinus Nijhoffs gedichten Het uur U en Awater.

dramatiek

Literatuur voor toneel geschreven.

 

 

1.1 Compositie of tijdverloop

 

ab ovo

Wanneer een verhalende tekst begint met een inleiding, een voorgeschiedenis, waarna de eigenlijke handeling op gang komt, spreekt men van een compositie ab ovo.

 

chronologisch, niet-chronologisch

In een chronologisch verteld verhaal worden de gebeurtenissen verteld in de volgorde waarin ze plaatsvinden. Als de volgorde daarvan afwijkt, spreekt men van een niet-chronologisch verteld verhaal.

 

medias in res

Een compositie medias in res wil zeggen dat het verhaal / de roman midden in de handeling begint. Er is dus niet zoals bij een verhaal dat ab ovo begint eerst een soort inleiding waarin de personages worden voorgesteld. De tekst begint meteen met een of andere scène, terwijl de lezer nog niet weet 'waar het over gaat'. De 'voorgeschiedenis' wordt in de loop van de handeling aan de lezer duidelijk.

 

continue vertelwijze

Als een verhaal verteld wordt zonder grote sprongen in de tijd (van heden naar verleden of omgekeerd) en er ook geen sprake is van opvallende perspectiefwisseling, is er sprake van continu vertellen. Zijn er wel opvallende sprongen in de tijd en/of opvallende perspectiefwisselingen, dan is er sprake van discontinue vertelwijze.

 

flashback

Terugblik of retroversie.

 

epiloog

Nawoord, uitleiding. Zowel een roman als een toneelstuk kan na afloop van de eigenlijke handeling een nawoord hebben; vgl. het slot van de abele spelen, het slot van De familie Kegge en het einde van de roman Het bittere kruid.

 

proloog

Voorwoord, inleiding; zowel een roman als een toneelstuk kan worden voorafgegaan door een proloog waarin bijv.de personages worden voorgesteld en/of wordt aangekondigd waarover het zal gaan. Zie bijvoorbeeld De aanslag van Harry Mulisch.


1.2 Inhoud

 

fabel

De korte inhoud van een drama of roman. Zie echter ook fabel bij soorten gedichten.

 

motto

Een citaat dat voorafgaat aan het eigenlijke verhaal, vaak afkomstig uit een ander boek, een songtekst, soms uit een stripverhaal of film. Met dit citaat geeft de auteur een aanwijzing over de bedoeling van het verhaal.

 

thema

Dat waar het literaire werk wezenlijk over gaat; het thema moet in één zinsdeel, bestaande uit een kernwoord en bepalingen, kunnen worden weergegeven. Bijvoorbeeld: het thema van Een leeg huis van Marga Minco is ‘traumaverwerking van de holocaust na WO ll’. Een verhaal in het kort navertellen is niet hetzelfde als het thema weergeven.

De omschrijving die nu volgt, overstijgt dus in feite een themabepaling: Een leeg huis gaat over een jonge joodse vrouw die na de bevrijding wordt geconfronteerd met de leegte van het bestaan, daar zij van haar familie de enige overlevende is. Zij en een lotgenote van haar staan voor het probleem verder te moeten leven in een wereld die voor hen voorgoed veranderd is. Haar vriendin blijkt uiteindelijk niet opgewassen tegen de problemen en pleegt zelfmoord.

Je zou het thema van dit boek aldus kunnen omschrijven: de problematiek van joden die de oorlog hebben overleefd. Maar natuurlijk valt de thematiek ook enigszins anders te omschrijven; uiteindelijk bepaalt elke lezer zelf wat hij de essentie van een literair werk vindt.

 

motieven

Een motief is een gegeven dat herhaaldelijk terugkeert in het verhaal; het staat op enigerlei wijze in verband met de bedoeling of het thema van dat verhaal. Motieven zijn als het ware de bouwstenen van het thema.

Veel motieven hebben met gebeurtenissen te maken. In een verhaal kan bijvoorbeeld geweld een motief zijn, of verliefdheid, angst, kindertijd, etc.

Andere motieven kunnen afgeleid worden uit ideeën / onderwerpen / gewaarwordingen die telkens terugkeren, zoals wetenschap in “De passievrucht” van Karel Glastra van Loon.

Een ander voorbeeld is het gevoel van opgeslotenheid (claustrofobie) in “Het Gouden Ei van Tim Krabbé, dat voortkomt uit een droom maar ook met de gebeurtenissen te maken heeft.

 

 

1.3 Vertelwijze

 

 

Vertelsituatie of vertelwijze

Bij een verhaal kun je de vraag stellen: wie vertelt de gebeurtenissen aan de lezer? Het antwoord op deze vraag is de vertelwijze. Globaal gezien zijn er drie mogelijkheden:

 

1. auctoriale vertelwijze (alwetende verteller)

Het verhaal of de roman wordt verteld vanuit een alwetende verteller die de een keer als 'ik' in het verhaal een klein rolletje speelt, de andere keer als onzichtbare 'regisseur' de touwtjes in handen heeft.

Voornaamste kenmerken van de auctoriale vertelwijze:

1. De (afwezige) verteller staat als een soort schepper (“auctor”) boven de handeling en de optredende personages;

2. Hij kan vooruitlopen op gebeurtenissen;

3. Hij kan commentaar geven op de handelingen en de karakters van de verhaalpersonages; ook kan hij de lezer toespreken (“de lezer zal zijn hart vasthouden bij het lezen van het nu volgende hoofdstuk”).

4. Vaak is er een wisselende vertelwijze. Er zijn dan delen waarbij we spreken van een personale verteller.

 

2. ik-vertelwijze (Ik-verhaal)

Het verhaal of de roman wordt verteld door een ik-verteller die meestal tevens de hoofdpersoon van het verhaal is. In sommige verhalen is de ik-verteller niet de hoofdpersoon maar een personage dat van dichtbij de lotgevallen van de hoofdpersoon meemaakt.

De ik-vertelwijze verschilt duidelijk van de auctoriale vertelwijze: bij de auctoriale vertelwijze komt soms ook een 'ik' voor, maar deze is slechts de verteller van het verhaal waar hij a.h.w. 'boven' of 'buiten' staat; de 'ik' bij de ik-vertelsituatie staat midden in het verhaal, is meestal zelfs de hoofdpersoon. Deze 'ik' heeft niet als de auctoriale 'ik' overzicht en inzicht in de handeling en de personages. Het perspectief ligt altijd bij de ik-verteller.

 

3. personale vertelwijze (de hij/zij-vertelwijze)

Het verhaal wordt verteld zonder dat er iets van de verteller zelf is te merken. De gebeurtenissen worden als het ware door een neutrale stem meegedeeld, waardoor de lezer heel direct bij het verhaal wordt betrokken. De personages komen voor in de hij-/zij-vorm, in tegenstelling tot bij het ik-verhaal.

Vaak worden de gebeurtenissen gezien vanuit het perspectief van de hoofdpersoon, een hij (zij)-personage. De gehele handeling en alle overige personages worden gezien vanuit het standpunt van dat personage. Terwijl bij het auctoriaal perspectief alles wordt gezien vanuit de alwetende verteller, blijft het perspectief nu beperkt. De lezer krijgt over de handeling en de personages niet meer te weten dan de hoofdpersoon weet, denkt,voelt. Alles wordt de lezer gepresenteerd via de hoofdpersoon. Een zuiver personale roman vertoont overeenkomst met de ik-roman. Ook bij het ik-perspectief is het zicht op de handeling beperkt tot dat van de hoofdpersoon. Het personale personage wordt ook wel de verhulde ik genoemd.

In de hedendaagse literatuur is er in romans vaak sprake van een wisselende personale vertelwijze. Dan wordt het verhaal achtereenvolgens verteld vanuit verschillende personages

 


2 Stilistiek 

 

 

2.1 Soorten gedichten

 

 

 

ballade
1. Gedicht bestaande uit 3 strofen van meestal 8 regels en een 4e strofe bestaande uit 4 regels die wat de eerste woorden betreft de herinnering bewaart aan de oude rederijkersballade,waarvan de laatste strofe altijd begint met 'Prince' (de prins was de titel van de beschermheer van een rederijkerskamer). Een ander kenmerk van de (rederijkers)ballade is dat elke strofe eindigt op een (nagenoeg) gelijke regel.

2. Een lang strofisch gedicht waarin op eenvoudige wijze een romantisch verhaal wordt verteld. Dit wordt ook wel volksballade genoemd. Een bekend voorbeeld is ‘Het lied van heer Halewijn’.

 

elegie

Klaaglied; het hoofdmotief van de meeste klaagliederen is de dood of het einde van de vreugde der liefde.

 

epigram

Puntdicht; een kort, puntig, kernachtig gedichtje. Het genre werd tijdens de Renaissance veel beoefend (Hooft, Huygens); later o.a. door de 19e-eeuwer Staring. Ook in de moderne poëzie kan men het aantreffen.

 

Wip

Dirk was ter wip verwezen                    (ter wip verwezen = tot de galg veroordeeld)

en liet niet enen traan;

hij zei: 'Wat zoud' ik vrezen?

't Is met een wip gedaan.'                     (Constantijn Huygens)

fabel

Een kort gedicht waarin dieren als denkende wezens worden voorgesteld en waarin aan het slot een moraal zit. Bekend is de Middelnederlandse fabelbundel Esopet,een vertaling van de verzameling Latijnse fabels van Aesopus.

 

limerick

Een vijfregelig gedichtje met het rijmschema a a b b a; de regels 1,2 en 5 zijn langer dan de regels 3 en 4; de inhoud is meestal grappig. Vaak eindigt de eerste regel op een plaatsnaam.

 

Er was eens een dichter in Naarden

Die trouw al zijn peukjes bewaarde,

Daar draaide hij dan

Nieuwe rokertjes van

Waarvan hij de peukjes weer spaarde (Alex van der Heiden)

 

satire

Een hekeldicht; een prozatekst of gedicht met sarcasme geschreven.

Bekende satires zijn: Van den Vos Reinaerde en de gedichtenbundel Grassprietjesvan Cornelis Paradijs (=Frederik van Eeden),die als jonge schrijver zijn veel oudere en beroemde -maar overschatte -collega's op de korrel nam.

Een satire kan tevens een (grimmige) parodie zijn.

 


sonnet

Het woord sonnet komt van het Italiaanse woord ‘sonare’ ; dat betekent klinken. We noemen een sonnet dus ook wel klinkdicht.

Een sonnet bestaat uit twee kwatrijnen (samen het octaaf vormend) en twee terzinen (samen het sextet vormend); meestal is er na de achtste regel een inhoudelijke wending (ook wel volta of chute): het gedicht neemt daar een 'draai'. De relatie tussen octaaf en sextet kan zijn die van tegenstelling, beeld-object (of object-beeld), heden-verleden enz. Een dergelijk sonnet heet ook wel een Italiaans sonnet.

Het rijmschema van een sonnet is meestal abab /abab /cdc /dcd; abab/cdcd/efef/gg. In plaats van gekruist rijm in de kwatrijnen komt ook wel omarmend rijm voor.

 

 

Pogrom

 

Is dit de maan, die naar het laatst kwartier gaat,

of een gelaat, omgord door walm en vlam?

Waar is Berlijn, en waar de Grenadierstraat?

-Vluchtte de jongen, toen de bende kwam?

 

Is dat zijn schim, die daar voor de rivier staat,

is dit het water, dat hem langzaam nam,

is dit de spree, en dat de Grenadierstraat?

-Het is de Amstelstroom, 't is Amsterdam.

 

 

 

 

Op 't Rembrandtsplein gaan de lantarens branden,

over de daken sproeit een lichtfontein.

-Ik druk mijn nagels dieper in mijn handen.

 

De Jodenbreestraat is een diep ravijn;

ik zie mijn schaduw dansen op de wanden.

-Het is maar tien uur sporen naar Berlijn.

 

(Ed. Hoornik)

 

 

 

kwatrijn

Een strofe van vier regels

 

octaaf

De beide kwatrijnen van een sonnet

 

sextet

De beide terzinen van een sonnet

 

terzine

Strofe van 3 regels in een Italiaans sonnet.

 

2.2 Rijm

 

Rijm is overeenkomst in klank in beklemtoonde lettergrepen bij niet te ver uiteen staande woorden.

We onderscheiden verschillende soorten rijm.    

 

alliteratie

Beginrijm: de eerste klank(en) van beklemtoonde lettergrepen van woorden die bij elkaar staan rijmen op elkaar.   

                              

't Was bladstil, en een lauwe loomheid lag                      De koelies kermen op de zwarte kaden

En woog op beemd en dorre wei, die dorstten;                Onder de Zuidchinese zomerzon,

Zwaar zeeg en zonder licht een vale dag                         Met plompe zak of zware ton beladen

Uit wolken, die gezwollen onweer torsten.                      Eenzelfde zang van Sjanghai tot Kanton.

                                                                                   

      (Jacques Perk)                                                                   (J.J. Slauerhoff)

 

 

Lieselotje leerde Lotje lopen langs de lange Lindenlaan.

 

assonantie / klinkerrijm

Alleen de klinkers van de beklemtoonde lettergrepen rijmen op elkaar, niet de daaropvolgende medeklinker(s).

 

slingeren - kinderen, lief – diep, lamp - brand

 

volrijm

De beklemtoonde klinkers plus de daarop volgende medeklinkers rijmen op elkaar: deur/geur; komen/dromen.

 

rijk rijm

Rijmvorm waarbij het rijmwoord in zijn geheel herhaald wordt. Vaak heeft rijk rijm iets (bedoeld) onbeholpens / knulligs. Het is een rijmsoort die misschien beter arm rijm genoemd zou kunnen worden, daar het eindrijm betreft, bestaande uit dezelfde rijmwoorden.

 

Toen die ziek was van het zwelgen

Toen die dol van vrijheid was,

Brulde ie een lijzig liedje,

Dat al uit de mode was.

eindrijm

Als de woorden die aan het eind van de versregel staan op elkaar rijmen, spreken we van eindrijm.

Binnen eindrijm onderscheiden we een aantal rijmschema’s. Iedere rijmklank wordt weergegeven

door een hoofdletter. Een nieuwe rijmklank krijgt een volgende letter.

 

            Gepaard rijm:               AABB CCDD

            Gekruist rijm :               ABAB CDCD

            Omarmend rijm:           ABBA CDDC

            Slagrijm:                      AAAAAA

      

Voorbeelden:

 

gepaard rijm

Rijmschema a a b b

 

Waarde vriend het is hier prachtig

de koeien zijn ontroerend drachtig

 

de spoorlijn loopt dwars door het dal

een vrouw beheert de waterval                         (Bergman)

 

gekruist rijm

Rijmschema a b a b

 

't Was bladstil, en een lauwe loomheid lag                                

En woog op beemd en dorre wei, die dorstten;

Zwaar zeeg en zonder licht een vale dag                                                                                 

Uit wolken, die gezwollen onweer torsten                     (Jacques Perk)                                                                          

 

De koelies kermen op de zwarte kaden

Onder de Zuidchinese zomerzon

Met plompe zak of zware ton beladen,

Eenzelfde zang van Sjanghai tot Kanton.                         (J.J. Slauerhoff)

 

omarmend rijm

Rijmschema a b b a              

 

Ik droeg nog kleine kleren, en ik lag

Languit met moeder in de warme hei,

De wolken schoven boven ons voorbij

en moeder vroeg wat 'k in de wolken zag.                     (Martinus Nijhoff)

 

 

slagrijm

Rijmschema a a a a etc.

 

Een zekere Achmat

 

Een zekere Achmat in Bagdad

Lag plat met z'n gat op z'n badmat.

Zo las hij z'n dagblad

En iedereen zag dat,

't Is raar, maar in Bagdad daar mag dat!                        (Alex van der Heide)

 

enjambement

De ene versregel loopt zonder pauze in de volgende over. Enjambementen zijn het meest opvallend als de spanning tussen versregel en zinsbouw het grootst is; dat is het geval wanneer het laatste woord (of zinsdeel) van de ene regel grammaticaal nauw aansluit bij het eerste woord (of zinsdeel) van de volgende regel. De relatie met rijm is niet altijd duidelijk te leggen. Met een enjambement kan de dichter zowel (op een soms wat geforceerde manier) het rijm in standhouden als het rijm doorbreken.

 

De dwangarbeiders

 

De koelies kermen op de zwarte kaden

Onder de Zuidchinese zomerzon,

Met plompe zak of zware ton beladen

Eenzelfde zang van Sjanghai tot Kanton.

 

Zij zijn maatvast en doen de laadstok deinen,

Het ritme van hun draftred doet 't gewicht

Half zweven door de lucht, de schouderpijnen

Zijn minder onverdraaglijk,bijna licht...                       (J.J. Slauerhoff)

 

2.3 Metrum

 

metrum

Regelmatige afwisseling van beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen. Zie jambe en trochee.

 

versvoet

Een kleinste telkens weer herhaalde eenheid van een metrisch patroon noemen we een versvoet. Een jambe en een trochee zijn voorbeelden van een versvoet.

 

antimetrie 

Een afwijking van het metrum, meestal van het jam­bisch me­trum. Antimetrie komt het meeste voor (en is het opvallendst) aan het begin van een versregel, wanneer een jambe plaats maakt voor een trochee.

 

Vroeger toen 'k woonde diep in 't land

Vrat mij onstilbaar wee

Zoals een gier de lever,want

Ik wist : geen streek geeft mij bestand,

En 'k zocht het ver op zee.                                            (J.J. Slauerhoff)

(In de eerste twee versregels van bovenstaande strofe is de eerste versvoet een trochee, verder zijn alle versvoeten jamben. N.B. Er komt elisie voor in de tweede versvoet en de vierde versvoet van de eerste versregel, net als in de eerste versvoet van de vijfde versregel.)

 

elisie

De dichter laat bewust een onbeklemtoonde lettergreep vallen ter wille van het metrum.

 

Vroeger toen 'k woonde diep in 't land

Vrat mij onstilbaar wee

Zoals een gier de lever, want

Ik wist: geen streek geeft mij bestand,

En 'k zocht het ver op zee                                            (J.J.Slauerhoff)

 

[kwoonde] i.p.v. ik woonde en [ksocht] i.p.v. ik zocht

 

jambe

Een versvoet bestaande uit één onbeklemtoonde en één beklemtoonde lettergreep

                                                                   

˘   __              ˘   __     ˘       __      ˘      __         ˘   __

Ik ben   in eenzaamheid niet meer alleen,

˘         __          ˘      ­­­   _    ˘   __        ˘   __     ˘      __     ˘

Want waar mijn ogen langs de wanden dwalen

__             ˘     ˘    __       ˘      __         ˘   __     ˘   __      ˘  

Schemert uw lach daarheen. Ontelbre malen

__          ˘   ˘    __       ˘   __      ˘   __     ˘       __    

Hoor ik in 't klokgetik uw voeten treęn                          (Lodewijk van Deyssel)

 

N.B. In de 3e en 4e regel is de eerste versvoet een trochee; er is daar dus sprake van antimetrie.

 

trochee (trocheus)

Bepaalde versvoet, bestaande uit resp. een beklemtoonde en een onbeklemtoonde lettergreep

 

__    ˘    __    ˘    __    ˘  __   

Altijd is Kortjakje ziek,

__         ˘   __   ˘     __          ˘       __      ˘     __  

Midden in de week maar zondags niet

 

scanderen

Door middel van boogjes (aan de bovenkant open / een soort brede u) (onbeklemtoonde lettergrepen) en streepjes (beklemtoonde lettergrepen) aangeven waar de accenten in een gedicht liggen (om te ontdekken of het gedicht een metrum heeft).
2.4 Stijlfiguren

 

Stijlfiguren zijn afwijkingen van het normale taalgebruik. Ze worden veelal gebruikt om de tekst meer zeggingskracht te geven en de lezer alert te houden. Onbewuste afwijkingen kunnen een stijlfout opleveren.

 

anticlimax

Een opsomming waarbij de delen in kracht afnemen, of die aan het eind niet het verwachte hoogtepunt brengt. 

 

orkaan – storm – wind - briesje

 

antithese ( ook: tegenstelling)

Naast elkaar plaatsing van tegenstellingen.

                                        

Op school stonden ze op het bord geschreven,

Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;

hiermee was tijd,was eeuwigheid gegeven,

de ene werklijkheid,de ander schijn.                            (Ed Hoornik)

 

climax

Een opsomming waarvan de delen in kracht toenemen. Climax is dus stijging naar het hoogtepunt.

 

Hij liep, hij rende, hij vloog het huis binnen

 

enumeratie ( ook opsomming

Een opsomming van een aantal inhoudelijk bij elkaar horende elementen. Deze opsomming kan al of niet met het voegwoord 'en' gepaard gaan.

 

Bloemengeuren

 

Elke bloem heeft een speciale

geur. De roos,tulp,margriet,

narcis,leeuwebekje,heide,

lelietje van dalen,klaproos,

anjer,madeliefjes,krokussen,

de korenbloem. Niet allemaal

ruiken ze lekker. Bij voorbeeld

de anjer, die ruikt niet zo

lekker als de roos. De lelie

van dalen ruikt erg lekker.

Veel en veel lekkerder dan de

anjer. Dus ruik vooral niet

aan de anjer. Dit weten we

dan ook weer. Dag allemaal!                                        (K. Schippers)

 

Ik zocht in zeeën,bossen,bergen,dromen,

Nimmermeer rustig tot de plek gekomen,

Waar zij verborgen als een bloesem was

Onder 't in lange herfst gewoekerd gras.                       (J.J. Slauerhoff)

 

eufemisme

Een term of uitdrukking die in een bepaalde situatie kwetsend kan zijn of minder aangenaam om te horen, wordt vervangen door een term of uitdrukking die minder hard aankomt doordat hij vager is.

Het ligt voor de hand dat er veel eufemismen zijn voor dood en ziekten en voor allerlei zaken die (nog) in de taboesfeer liggen.

Voor ‘sterven’ worden vaak de eufemismen ‘heengaan’ en ‘zijn laatste reis aanvaarden’ gekozen.

Onaangename maatregelen van de regering worden vaak in verhullende taal verpakt: men spreekt liever van 'krapte op de arbeidsmarkt dan van ‘werkeloosheid' en bezuinigingen van de overheid worden 'beleidsombuigingen' genoemd.

Een eufemisme lijkt op een understatement; het verschil is dat een understatement niet wordt gekozen om iets onaangenaams te verhullen; een understatement is een originele en vaak grappige 'onderdrijving'. Het is juist niet de bedoeling de onaangename werkelijkheid te maskeren; die werkelijkheid komt juist door het understatement scherp 'in beeld'.

 

Johan Cruijff kon in zijn tijd een aardig balletje trappen.

 

hyperbool

Een min of meer gepaste overdrijving die veel voorkomt in het dagelijks taalgebruik.

 

Ik heb een eeuw op je moeten wachten.

 

Die jas kostte mij een vermogen.

 

Tijdens de Nijmeegse Vierdaagse liep hij voortdurend op zijn tandvlees.

 

ironie

Stijlfiguur met de bedoeling om op milde wijze te spotten. Vaak bedoelt de spreker of schrijver het tegenovergestelde van wat hij zegt of schrijft.

 

'Fijn dat ik u weer eens zie', sprak de man tot de deurwaarder die bij hem beslag kwam leggen.

 

‘Wat ben jij vroeg vandaag’, zei de docent tegen een leerling die een half uur te laat was.

 

 

paradox

Een schijnbare tegenstrijdigheid.

De formulering lijkt niet ‘logisch’ te zijn, maar is toch ‘waar’ als je de mededeling nog eens goed leest.

 

Pas in de volte van de grote stad voel je de leegheid.

 

Verdraagzaamheid is een eigenschap waarin een klein land als Nederland groot kan zijn.

 

parallellisme

Een aantal zinnen begint met hetzelfde woord of dezelfde woorden en verlopen ook verder op identieke wijze.

 

ik heb in het gras mijn wapens gelegd                           Rusten in 't leven kan ik niet.

en mijn wapens gaan geuren als gras                                        Rusten in de dood wil ik niet.           

ik heb in het gras mijn lichaam gelegd                                      Mijn angst en wroeging ban ik niet.

mijn lichaam is geurig als hout bitter en zoet                            Mijn doffe klagen stil ik niet.

(Lucebert)                                                                               (J.I. de Haan)

 

 

pleonasme

Een logisch gezien overbodig woord, omdat het begrip dat door dat woord wordt uitgedrukt al in een ander woord ligt opgesloten.

 

Telefonisch opbellen, financieel rood staan

 

Een pleonasme is dus een overbodige bepaling, terwijl een tautologie een overbodig synoniem is (terwijl beide tot dezelfde woordsoort behoren). Een pleonasme: passerende voorbijgangers; een tautologie: hollen en draven. Andere voorbeelden van tautologie zijn:

 

enkel en alleen, we verlangen en hunkeren naar de vakantie

Dit zijn geen voorbeelden van stijlfiguren, maar van stijlfouten, omdat ze geen functie hebben maar voortvloeien uit slordig of ondoordacht taalgebruik. Pleonasme en tautologie zijn stijlfiguren als ze bijdragen aan de expressie van een gedachte of gevoel.

 

 

Repetitio (ook: herhaling)

Een woord of zinswending wordt ongewijzigd herhaald.

 

O, als ik dood zal, dood zal zijn

kom dan en fluister, fluister iets liefs,

mijn bleke ogen zal ik opslaan

en ik zal niet verwonderd zijn.

 

En ik zal niet verwonderd zijn;

in deze liefde zal de dood

alleen een slapen, slapen gerust

een wachten op u, een wachten zijn.

                            (J.H.Leopold)

 

 

tautologie

Een logisch gezien overbodig woord,omdat dat woord (ongeveer) hetzelfde betekent als het woord waarmee het in verbinding staat. Als een tautologie voortvloeit uit slordigheid of taalkundig  onvermogen dan heeft die geen functie en is dus fout, een stijlfout. Veel staande uitdrukkingen zijn tautologisch, bijv. wikken en wegen, heg noch steg, bepakt en bezakt etc. Zie ook onder pleonasme.

 

Hij sprak en zeide

In 't zaal zich wendend:

Voorwel, o moeder

Nooit keer ik weęr...                      (Geerten Gossaert)

 

 

retorische vraag

Een nadrukkelijke mededeling in de vorm van een vraag.

 

Hoofden van Lebak, er is veel te arbeiden in uwe landstreek. Zegt mij, is niet de landman arm? Rijpt niet uw padie dikwerf ter voeding van wie niet geplant hebben? Zijn er niet vele verkeerdheden in uw land? Is niet het aantal uwer kinderen gering?                  (Multatuli)

 

understatement

Een opzettelijke afzwakking, dus net als een eufemisme een verzachtend woord of een verzachtende uitdrukking.

Een eufemisme is ‘serieus’ en wordt gebruikt om tactische redenen of terwille van het ‘fatsoen’. Een understatement is minder serieus, is te beschouwen als een grappig eufemisme. Het doel van het understatement is door een originele formulering te verbazen en/of te vermaken. Vandaar dat humoristen veel gebruik maken van het understatement. (zie ook eufemisme)

 

Wij schreven 1942. Nederland was door de Duitsers bezet. (Voor mijn eventuele jonge lezers: de Duitsers waren vijf jaar hier zonder dat we ze echt hadden geïnviteerd(=uitgenodigd).                                                                                                        (Simon Carmiggelt)

 

De periode waarin hem alles mislukte, hij ongelukkig verliefd was, tot zijn nek in de schulden stak en werkeloos was, was er niet een van optimaal levensgeluk.

 

 

woordspeling

Een woord of een uitdrukking wordt opzettelijk zo gebruikt dat er sprake is van dubbelzinnigheid. Vaak berust de woordspeling op de mogelijkheid het woord of de uitdrukking zowel letterlijk als figuurlijk op te vatten.

 

Het dragen van een valhelm is een hoofdzaak

 

Beter rood staan, dan krap zitten

 

 

zelfcorrectie

Een opzettelijk verkeerd gebruikt woord of een opzettelijk verkeerd geformuleerde gedachte wordt daarna onmiddellijk verbeterd. Het doel is om juist ergens de aandacht op te vestigen.

 

Hij aarzelt, -neen,hij aarzelt niet,-

tenminste niet heel lang: -

't Verloorne zoeken dat 's geen werk

Voor zonen van den zang!                                             (Piet Paaltjens)

 

 

2.5 Beeldspraak

 

Het gekozen woord of de uitdruk­king moet niet letterlijk genomen geworden, maar is gekozen op grond van een overeenkomst of een andere relatie met wat er 'eigenlijk' bedoeld wordt. Bij beeldspraak is dus altijd sprake van beeld en bedoelde.

De soorten beeldspraak die berusten op overeenkomst, zijn:

vergelijking met als, vergelijking zonder als, metafoor, personificatie, synesthesie.

De beeldspraak die berust op een andere relatie dan die van overeenkomst heet metonymia.

 

vergelijking met als

Vorm van beeldspraak die berust op overeenkomst tussen beeld en dat wat met dat beeld bedoeld wordt. Bij een metafoor staat het bedoelde (het object) er niet bij, bij een vergelijking met als wel: beeld en object worden met elkaar verbonden door (zo)als. Ook kan een ander verbindingswoord voorkomen, bijv. in: een boom van een vent.                      

 

De bus rijdt als een kamer door de nacht 

 

(M.Vasalis)

 

De verveling hing als een dikke wolk om haar heen.

 

Zo bleek als een vaatdoek leverde hij het proefwerk bij de docent in.

 

Vaak zijn vergelijkingen met als clichés, vaste uitdrukkingen, zoals : zo zacht als boter, eerlijk als goud etc.

 

vergelijking zonder als

Beeldspraak die berust op overeenkomst; net als bij de vergelijking met als wordt niet alleen het beeld genoemd, maar ook het bedoelde, het object. Alleen worden beeld en object niet verbonden door (zo)als.

 

Het buurmeisje, toch al een lelijk eendje, viel twee tanden door haar lip.

De leraar, onze rots in de branding, heeft ervoor gezorgd dat wij ons diploma haalden.

 

metafoor

Beeldspraak die berust op overeenkomst tussen het beeld en dat wat ermee wordt 'bedoeld', het object. Bij een metafoor wordt alleen het beeld genoemd.

 

Dat groentje werd door iedereen in de maling genomen.

 

Na de bokswedstrijd moesten de kemphanen uit elkaar gehaald worden.

 

Metaforen komen niet alleen in de literatuur voor: veel uitdrukkingen zijn metaforen (de eerste viool spelen,over het paard getild zijn, de draak met iets steken, iemand bij de neus nemen, door het oog van de naald kruipen etc.).

 

 


personificatie

Wanneer aan iets wat levenloos is eigenschappen van een persoon worden toegekend, spreek je van een personificatie:

 

De zon en de wind spelen samen aan het strand.

 

Het zonlicht verft de daken rood.

                                                      

De nacht vluchtte in het woud. 

 

 

synesthesie

Bij synesthesie worden indrukken van zintuigen die logisch gezien niet bij elkaar horen, toch met elkaar in verband gebracht om een bepaald effect te bereiken:

 

Donkerbruine mannenstemmen (zicht en gehoor)

 

Een scherp licht (gevoel en zicht)

 

Bittere woorden (smaak en gehoor)

 

 

metonymia

In plaats van het voorwerp of de persoon die je bedoelt, noem je iets dat er op de een of andere manier mee te maken heeft. Op die manier kun je verschillende verbanden uitdrukken:

 

  • Een deel van het geheel: Als jullie daar gaan staan, zal ik even de neuzen tellen.

Je bedoelt een aantal personen, je noemt een lichaamsdeel.

  • Het geheel wordt genoemd terwijl een deel is bedoeld: Wil je mijn fiets even oppompen.
  • je bedoelt de inhoud, maar je noemt het voorwerp waar het in zit: Geef me nog maar een glas.
  • Je noemt het materiaal maar je bedoelt het voorwerp: Op zijn gladde ijzers vloog de winnaar over het ijs.

Je noemt de maker en je bedoelt het voorwerp: Wat hangt daar een mooie Rembrandt.