Nassau-Nederlands.jouwweb.nl
Home » Grammatica » Woordleer

Grammatica: woordleer

 

  

 Zelfstandig naamwoord (zn)

  

 

Zelfstandige naamwoorden zijn woorden voor mensen, dieren, planten dingen, gebeurtenissen en gevoelens. Ook (eigen)namen zijn zelfstandige naamwoorden. Er zijn de-woorden (mannelijk of vrouwelijk) en het-woorden (onzijdig).

 

Lidwoord (lw)

 

De en het zijn bepaalde lidwoorden. Een (spreek uit als ‘un’) is een onbepaald lidwoord. Een lidwoord hoort bij een zelfstandig naamwoord.

 

Bijvoeglijk naamwoord (bn)

 

Een bijvoeglijk naamwoord geeft een kenmerk of een eigenschap van een zelfstandig naamwoord aan.

 

Werkwoord

(zww, hww, kww)

 

Een werkwoord zegt wat iets of iemand doet. Een werkwoord kun je vervoegen. In een zin met een werkwoordelijk gezegde staat altijd een werkwoord met een duidelijke, vaste betekenis: een zelfstandig werkwoord.

 

Als er meer werkwoorden in de zin staan, komt het zelfstandig werkwoord verderop in de zin te staan. De overige werkwoorden helpen dan om het gezegde te maken. Het zijn hulpwerkwoorden.

 

In een naamwoordelijk gezegde komt altijd een koppelwerkwoord voor: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken en vóórkomen. Ook bij een naamwoordelijk gezegde kunnen hulpwerkwoorden voorkomen. De werkwoorden en het naamwoordelijk deel vormen het naamwoordelijk gezegde.

 

 

Voornaamwoord (vnw)

 

Persoonlijk voornaamwoord duidt iets of iemand aan.

   
 

Als onderwerp: 

 

 

Zij voetballen

 

Als lijdend voorwerp of meewerkend voorwerp:

 Ik vertrouw hen niet.

   

ik

mij me

   

jij je u

jou je u

   

hij zij het

hem haar het

   

wij we

ons

   

jullie

jullie

   

zij ze

hun hen

   
           

 

 

Bezittelijk voornaamwoord geeft aan van wie iets is.

  
   

‘Is dat jouw zusje?’                                      

me

je zich

zich

ons

je

zich

 
 
 

Wederkerend voornaamwoord

hoort bij een wederkerend werkwoord.

 

Hij vergist zich’

 

mijn m’n

jouw je uw

zijn haar z’n

ons onze

jullie uw

hun

   
   
 

 

Vragend voornaamwoord

 

Een vragend voornaamwoord staat meestal aan het begin van een vraagzin: wie, wat, welk(e), wat voor (een) (dit zijn de enige vragende voornaamwoorden! (Hoe en waarom bijvoorbeeld zijn geen vragende voornaamwoorden)

 

Betrekkelijk voornaamwoord

 

Een betrekkelijk voornaamwoord verwijst naar een woord, een zinsdeel of een zin ervóór: die, dat, wat, wie, wiens, wier.

 

Wederkerig voornaamwoord

 

Er is in het Nederlands maar één wederkerig voornaamwoord: elkaar (soms geschreven als mekaar of elkander).

 

Onbepaald voornaamwoord

 

Een onbepaald voornaamwoord wijst iemand of iets aan, maar zegt niet precies over wie of wat het gaat: iemand, niemand, (een) zekere, wat, het, iets, niets, iedereen, men, menigeen, een of ander, alles, ieder(e), elk, menig(e). Het is onbepaald voornaamwoord als het nergens naar verwijst maar tijd, weer of sfeer aangeeft. Voorbeelden: Het is acht uur. Het regent. Het is gezellig.

 

Voorzetsel (vz)

 

Een voorzetsel geeft vaak plaats, tijd of reden aan. Plaats: bij, in, op, naast. Tijd: gedurende, onder, tijdens. Reden: vanwege, wegens, om, door.

 

Telwoord (telw)

 

Hoofdtelwoord

 

Bepaald (noemt een precies aantal): zes, vijftien, drievijfde

 

Onbepaald (geeft een onduidelijk aantal aan): veel, enkele, sommige, weinig, verscheidene, alle

 

Rangtelwoord

 

Bepaald (noemt een precieze plaats in een rij): eerste, zesde, vijftiende

 

Onbepaald (geeft een onduidelijk plaats in een rij aan): laatste, middelste, zoveelste

 

Bijwoord (bijw)

 

Een bijwoord kan van alles aangeven. Een tijdstip (morgen), een plaats (ergens), een tegenstelling (daartegenover), een reden (daarom), zekerheid (absoluut), onzekerheid (misschien), ontkenning (nimmer) en sommige vraagwoorden zijn ook bijwoorden (bijv. waarover, waarheen, waarom, hoe).

Voegwoord (voegw)

Voegwoorden verbinden woorden, woordgroepen en zinnen met elkaar en drukken ook het verband daartussen uit. Nevenschikkende voegwoorden verbinden twee gelijkwaardige delen: hoofdzinnen, twee bijzinnen van hetzelfde niveau, twee woordgroepen of twee woorden (dus, en, maar, want). Onderschikkende voegwoorden verbinden twee ongelijkwaardige delen: een hoofdzin met een bijzin (omdat, zodat, wanneer, als, hoewel, indien).